Jeugdbescherming

Hechtingsproblematiek, een probleem van generatie op generatie

Als je lang genoeg in de jeugdbescherming of jeugdhulpverlening werkt, kom je dit wel een keer tegen, cliënten die jij als kind hebt begeleidt, komen later in hun leven bij je terug als ouder van een kind die hulp nodig heeft. Vaak wordt gezegd dat ouders die als kind gelabeld zijn met een verstoorde hechting, zelf geen sensitieve ouder kunnen zijn.

In deze blog geef ik een aantal praktische tips op basis van mijn persoonlijke ervaring in combinatie met kennis die ik heb opgedaan uit de literatuur en uit symposia en workshops die ik heb bijgewoond.

Hoe komt dit?

Het gehechtheidssysteem is belangrijk bij angst, spanning en pijn. Het systeem heeft baat bij een zekere angst, want als een kind angstig is, zoekt het de persoon op waaraan het zich heeft gehecht. Het gros van de getraumatiseerde kinderen heeft echter geen angst meer, dus bij hen is dit systeem ontregeld. Zij zoeken bij angst, spanning en pijn hun opvoeder niet op of zijn hierin heel ambigu of dubbel.

De zorg die ouders hun kind op jonge leeftijd geven, bepaalt grotendeels de opvoedrelatie op latere leeftijd. Als een kind veel veilige ervaringen opdoet raakt het gericht op veiligheid en is er meer ruimte over om andere dingen te leren. Kinderen die veel onveiligheid meemaken ervaren minder ruimte om te onderzoeken en nieuwe dingen te leren. Het tekortkomen van rijke input aan je brein brengt daardoor veel schade toe. Grofweg onderscheiden we de volgende hechtingstypen [Bron; hechtingstheorie Bowlby & Ainsworth/ Wikipedia]

Vermijdend gehechte kinderen

Deze kinderen onderzoeken (exploreren) heel veel. Als vader of moeder vertrekt of terugkomt, reageren ze hier nauwelijks op en gaan door met hun spel. Hun spel is van matige kwaliteit, oppervlakkig en vluchtig. Ze negeren of vermijden de ouder. Deze kinderen worden vaak door hun omgeving gezien als veel te zelfstandig voor hun leeftijd. Ouders van deze kinderen zijn consequent insensitief, vaak afwijzend, hebben een afkeer voor fysiek contact, zijn zakelijk en snel geïrriteerd door huilen of ander weigerachtig gedrag van kind. De strategie van het kind is dat hij geen beroep meer doet op moeder uit angst voor afwijzing. Het kind heeft dus zijn gehechtheidsgedrag geminimaliseerd.

Veilig gehechte kinderen

Deze kinderen vertonen een evenwichtige balans tussen exploreren en hechtingsgedrag. Ze hebben geen moeite dingen te onderzoek als hun ouder aanwezig is en kunnen angstig reageren bij afwezigheid. Als de ouder terugkomt, zoekt het kind toenadering, is snel weer op zijn gemak en gaat vanuit zijn veilige basis verder met het onderzoeken van dingen. Ouders van deze kinderen zijn sensitief, coöperatief en toegankelijk. De interactiegeschiedenis is er een van affectieve afstemming van en met de ouder. Het kind voelt zich gezien en gehoord.

Ambivalent gehechte kinderen

Deze kinderen vertonen veel hechtingsgedrag en weinig exploratie. Ze proberen constant bij de ouder in de buurt te zijn en reageren heftig als de ouders afwezig is. In de periode dat ze alleen zijn, zullen deze kinderen amper spelen of hun omgeving onderzoeken. Deze kinderen vertonen tweezijdig ambivalent gedrag. Aan de ene kant klampen ze zich vast aan hun moeder, maar aan de andere kant tonen ze hun woede en teleurstelling over het feit dat hun moeder is weggegaan door afwerend te reageren. De strategie die deze kinderen ontwikkeld hebben, is het maximaliseren van gehechtheidsgedrag, waarbij de boosheid de functie als straf voor de ouder heeft. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is er een waarin de ouders inconsequent sensitief, soms grillig en onvoorspelbaar reageren en vaak onbereikbaar zijn op cruciale momenten.

Gedesorganiseerd gehecht

Het lijkt alsof deze kinderen tegenstrijdige verwachtingen hebben over de beschikbaarheid van de opvoeder of bang voor hem/haar zijn. Zij laten bijvoorbeeld tegenstrijdig gedrag en emoties zien. Gaan bijvoorbeeld eerst huilen, maar beginnen dan opeens weer te lachen. Ook kan het zijn dat ze zich abnormaal bewegen, plotseling stilstaan, waarbij het lijkt dat ze zich niet meer kunnen bewegen (bevriezen of verstarren). Soms lijken zij in de war als de ouder terugkomt en toenadering zoekt. Zij slaan de handen voor de ogen of wiegen heen en weer of wenden het hoofd af terwijl zij naar de ouder lopen of kruipen. Het lijkt alsof de komst van de ouder de stress bij het kind eerder verhoogt dan verlaagt. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is zeer onvoorspelbaar en incoherent geweest. Desorganisatie in deze betekent het instorten van je hechtingsstijl. Dit betekent dat een kind in basis veilig gehecht kan zijn maar door latere ervaringen niet langer op deze hechtingsstijl kan terugvallen. Denk hierbij aan kinderen die opgroeien in een liefhebbend en stabiel gezin maar op een andere plek misbruikt worden zoals school of zwemles. Hierbij is het kind in de basis veilig gehecht maar hebben ouders desondanks signalen gemist waardoor ze niet sensitief hebben kunnen reageren. Ook bij traumatische ervaringen, zoals mishandeling of onverwerkte trauma’s bij de ouder zelf kunnen de ouders tegelijkertijd een bron van angst en veiligheid zijn. In de interactie tussen ouder en kind kan een onverwerkt trauma bij de ouder ervoor zorgen dat deze soms wegvalt, dissocieert, of dat de ouder het kind ineens laat schrikken.

Hechtingsstijlen en ouderschap

Kinderen worden volwassen en worden zelf ouders. De manier waarop zij gehecht zijn, bepaalt ook deels hoe zij later met stress omgaan. Hieronder lees je meer over twee hechtingsstijlen die wij in de praktijk vaak terugzien bij ouders en hoe je er als hulpverlener mee om kunt gaan:

Vermijdend gehechte ouder

Een vermijdend gehechte ouder laat een baby teveel aan het lot over. Hij of zij reageert bijvoorbeeld niet als het kind huilt van de honger. Deze ouders minimaliseren de behoeften van hun kind. De ongerustheid die deze ouders voelen, vertalen ze naar “ er is iets met mijn kind.” Ze zoeken hulp met vragen als: hij wil niet drinken, niet eten of hij spuugt zo veel. De ouders vertalen op deze manier de behoefte van hun jonge kind maar begrijpen deze behoefte niet goed. Ze minimaliseren hun eigen stress. Hebben bijvoorbeeld de neiging om een gesprek over moeilijkheden weg te lachten. Voor dit type ouders is het moeilijk te verdragen dat een baby krampjes heeft of ’s nachts vaak moet huilen. Ze kunnen niet accepteren dat dat bij het ouderschap hoort en zij als ouder deze stress moeten verdragen. Als je als hulpverlener hierover in gesprek gaat met ouders, hou het dan in het hier en nu. Benoem wat je opvalt in de interactie tussen hen en het kind wanneer het zich voordoet. De valkuil is dat je hun aandeel te snel wilt bespreken, maar dit type ouder kan dat niet goed aan.

Onbewust denken zij dat als ze geen aandacht aan het huilen en de pijn besteden, het kind opgroeit tot een sterk en stoer mens. Wil je dit bespreekbaar maken, hou het dan algemeen want deze ouder kijkt niet graag naar zichzelf.

Vermijdend gehechte ouders zeggen vaak niet concreet waarbij ze hulp nodig hebben. De echte vraag moet je zien te achterhalen door als het ware in hun hoofd te kijken. Ze zullen geneigd zijn een vraag als; “vond je dit moeilijk?” met nee te beantwoorden omdat het over henzelf gaat. Je kunt beter de vraag wat algemener stellen, bijvoorbeeld “ ging het lastig deze week?” Dat is voor hen makkelijker te beantwoorden.

Vermijdend gehechte moeders hebben moeite met het innemen van de moederrol. Ze wisselen tussen de verschillende rollen die je als ouder hebt; collega, vriendin, partner etc. Ze voelen niet goed aan wanneer ze de rol als ouder moeten innemen.

Ambivalent gehechte ouders

Deze ouders zijn opgegroeid in een situatie waar hun opvoeders consequent niet sensitief waren voor hun behoefte om zich te hechten. Deze ambivalent gehechte kinderen blijven zich aan hun ouders vastklampen.

Deze ouders vertellen je graag over zichzelf. Ze beginnen met de vraag van het kind maar stappen dan over op zichzelf. Dat is hun manier om stress te reguleren. Ze komen met vragen om hulp maar als je hen concreet advies geeft, spugen ze het uit. Als dit merkt bij een ouder, vraag dan liever: “ Wat werkt voor jou?”

Angstig ambivalent gehechte ouders zijn op hun beurt niet goed afgestemd op de baby. Ze hebben bijvoorbeeld moeite om hun kind los te laten als er geen angst, spanning of pijn is. Het gedrag van de ouder en het gedrag van het kind zijn hierdoor niet los te zien van elkaar. Het is normaal dat ouders hun kind willen beschermen, maar deze ouders zijn ervan overtuigd dat hun kind elders niet veilig is. Moeder met angstig ambivalente hechting, vinden dat de partner het altijd minder goed doet dan zijzelf. Ambivalent gehechte moeders ervaren bij echtscheiding de meeste problemen. Zij geloven dat hun kind altijd het beste af is bij hen in de buurt.

Angstig ambivalente ouders hebben de neiging om bij heel veel mensen hulp te vragen. Ze zien veel leeuwen en beren op de weg. Als je dit merkt bij ouders, helpt het als je hen vraagt: “Wat is een advies waar je de afgelopen tijd wat aan gehad hebt?” Ze raken namelijk in de war van de hoeveelheid tips die ze krijgen op hun vragen. Door op deze manier naar helpende ervaringen te vragen, kun je samen met hen richting geven aan de het verwoorden van wat ze nodig hebben en hen helpen bij hun hulpvraag.

Het is belangrijk om als hulpverlener zicht te krijgen op de kwaliteit van de interactie tussen ouder en kind. Hoe reageert de ouder op het kind als het zijn nabijheid zoekt? Je kunt dit zien in de interactie tussen ouder en kind maar soms zal je deze informatie bij andere hulpverleners die betrokken zijn bij het gezin uit moeten vragen. Belangrijke zaken om op te letten zijn:

  • Hoe gaan ouders om met emoties van henzelf en die van hun kind? Kunnen ze bijvoorbeeld hun eigen verdriet, angst, boosheid op adequate wijze uiten. Hoe gaan ze om met de angst, boosheid en het verdriet van hun jonge kind?
  • En past de manier waarop ouders omgaan met de emoties van hun kind bij wat het kind op dat moment nodig heeft?
  • Wat gebeurt er niet? Wat mis je?
  • Wat wordt er uitgewisseld, impliciet en expliciet?

Goed om te weten wat de vijf essentiële elementen zijn voor jonge kinderen in een goede ouder-kind relatie:

  1. De ouder reageert sensitief en empathisch op signalen van het kind.
  2. Er is frequent lichamelijk contact.
  3. De ouder stelt het kind in staat op onderzoek uit te gaan en zijn omgeving te verkennen.
  4. De ouder helpt het kind bij het ontwikkelen van een gevoel dat zijn handelen en acties ergens toe leiden.
  5. Ouder en kind ondernemen samen plezierige en wederkerige activiteiten.

De emotionele uitwisseling tussen kind en omgeving heeft dezelfde functie voor het brein als voeding en vitamines voor het lichaam.

Als je lang genoeg in de jeugdbescherming of jeugdhulpverlening werkt, weet je gelukkig ook dat onveilige hechting niet altijd wordt overgedragen van generatie op generatie. Deze zogeheten transgenerationele problematiek kan doorbroken worden door bijvoorbeeld inzet van de juiste hulpverlening of het creëren van een steunend netwerk. Gelukkig zijn er ook ouders die als kind veel tekort gekomen zijn, die prima hebben geleerd hoe zij zelf wel veilige en voorspelbare ouders kunnen zijn voor hun kind.

Caroline Karssen, gedragswetenschapper Jeugdbescherming west

Follow my blog with Bloglovin

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s