De club van de allerstomste mama’s

Eén van de lastigste dingen aan chronisch ziek zijn, is voor mij het effect wat het heeft op mijn kinderen. Als je niet meer zoveel kan, wordt opvoeden een nog grotere uitdaging dan het normaliter al is. Tenminste, zo ervaren manlief en ik het. Een dwarse peuter die zich achterin het speelhuis verstopt is een stuk lastiger te bereiken als je niet goed kunt lopen, laat staan de trap van de speelhuis op kan klimmen. Manlief rent zich rot om alles draaiende te houden en ik doe zoveel als ik kan. Je wordt er creatief van én je gaat weer eens bij andere ouders te rade of zij nog slimme manieren hebben.

Nieuwe regel

Zo kwamen we op de lege-grond-voor-het-slapen-gaan afspraak. Omdat ik alleen nog bij de grond kan door op mijn knieën te gaan zitten is even bukken om een sok op te pakken een grote uitdaging geworden. Nu is het zo dat onze oudste het liefst op de grond speelt en daar alles vervolgens laat liggen. Met alles bedoel ik dan ook álles want kennelijk is het nodig om de gehele inhoud van je bureau en kast over de vloer te verspreiden alvorens er gespeeld kan worden. Tijd voor een aanpassing dus. Na een tip van een vriendin werd de nieuwe regel ingevoerd. Het werkte prima. De meiden klaagden niet en iedereen was tevreden. Tót gisterenavond.

Tent

De dames hadden, in overleg met papa, een tent gebouwd. Prachtig ding. Van de vloer was niks meer te zien. Van hun bed trouwens ook niet meer. En omdat er op een gegeven moment toch geslapen moest worden, moesten we bed én vloer terug zien te vinden. Dat betekent opruimen. En laat ik nou de enige zijn die dát een goed idee vond. Stampvoetend werd er geprotesteerd. Al mopperend werd er opgeruimd. En ik? Aan mij werd in niet mis te verstane woorden duidelijk gemaakt dat ik de aller-allerstomste mama ter wereld ben. En de vriendin die het bedacht heeft, die is de op ena-allerallerstomste. Ik ga maar een clubje oprichten denk ik. Kunnen we samen stom zijn.

Kleine mantelzorgers ?

Maar toch raakt het me. Sinds ik ziek thuis ben vragen we meer van de meiden. Ze moeten met name mij vaker helpen en sommige dingen zélf oplossen omdat ik hen niet kan ondersteunen daarbij. Ze hielpen altijd al wel, op hun niveau mee. Met het afruimen van de tafel bijvoorbeeld, of het opruimen van hun was. Voor ons als ouders een goede manier om hen spelenderwijs bepaalde dingen aan te leren maar ook een goede manier om met ze te kletsen. Ik heb, al sokken opvouwend, al heel wat gesprekken met ze gevoerd over school, verliefdheden, zwemles en kleuterruzies. Tegenwoordig heb ik hen soms nodig om simpele dingen voor elkaar te krijgen. Zoals het oprapen van dingen van de vloer. Meestal is dat prima maar soms komt er protest. En automatisch ga ik dan twijfelen. Belast ik ze niet te veel? Overvraag ik ze? Zijn het kleine mantelzorgers geworden? Gelukkig is manlief heel nuchter op dit gebied. En wuift hij alle bezwaren weg. En de meiden? Toen de vloer teruggevonden was en iedereen met knuffel weer in het eigen bed lag viel het allemaal best mee. Mijn nieuw verworven titel werd weer ingetrokken. Ik was tóch wel lief. Maar mijn vriendin, die moest ik maar niet meer om advies vragen.

Follow my blog with Bloglovin

Mama’s luier

Mooi om te zien wat één simpele blog teweeg kan brengen. De reacties waren lief, leuk en steunend. Maar het riep ook vragen op. Stok? Band? Wat dan? Nou, zo dus….

Zoonlief noemt het liefdevol mijn “luier” 😳 en mijn wandelstok is tot “grote piewer” gebombardeerd.
Niet zo *Instaworthy* maar wel hoe het nu gaat.
#wandelstok #bekkenband #luier? #grotepiewer? #wekomenerwel🙄 #geduldiseenschonezaak

5 Nuttige Tips Voor De Omgang Met Moeders Met Borderline

Moeders met een borderline persoonlijkheidsstoornis vormen één van de moeilijkste doelgroepen om mee te werken. Daar hebben wij binnen de jeugdbescherming regelmatig te maken. In deze blog geef ik een aantal praktische tips op basis van mijn persoonlijke ervaring in combinatie met kennis die ik heb opgedaan uit de literatuur.

Een borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een langdurig patroon van instabiliteit van de stemming, zwart-wit denken, instabiele relaties en een fragiel zelfbeeld. Uit angst om in de steek gelaten te worden zijn deze moeders vaak zeer eisend en aanklampend. Op andere momenten trekken ze zich plots terug uit de (werk) relatie. Regelmatig is er sprake van (dreigen met) zelfbeschadiging of zelfmoord. Veel moeders met borderline, hebben een voorgeschiedenis van afwijzing of mishandeling. Zij hebben de verwachting dat ook hulpverleners hen zullen afwijzen of terechtwijzen. Onze goed bedoelde ondersteuning wordt door hen vaak niet begrepen. Van de jeugdbeschermer maar ook van de andere teamleden vraagt dit veel draagkracht, flexibiliteit en vermogen tot reflectie. Vaak zie je dat de relationele moeilijkheden en stemmingswisselingen als het ware geprojecteerd worden op de jeugdbeschermer en diens team. De heftigheid van de emoties die gepaard gaan met het werken met deze moeders wordt dan overgedragen in de teamvergadering. Deze moeders hebben de neiging hun eigen tekortkomingen te projecteren op hun omgeving en zullen zij de jeugdbeschermer makkelijk beschuldigen van slechte hulpverlening aan hun kind. Dit resulteert in klachten en wisseling van jeugdbeschermer waarna het proces weer van voor af aan begint.

Welke effect heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis op de werkrelatie?

Zelfs als er geen diagnose gesteld is, zijn er signalen waar je alert op kan zijn. Kenmerkend is dat het in gesprek lastig is om binnen het gestelde uur te blijven. De intense emoties vragen veel tijd en ruimte en doen een duidelijk appél op ons hulpverlenershart. Het gevaar wat hierin schuilt, is dat wij ons voortdurend tekort voelen schieten, de neiging hebben om meer te doen dan normaal en soms contact te hebben buiten werktijd. Er is vaak crisis en chaos en ondanks al het harde werken schiet het hulpverleningsproces maar niet op. Het belangrijk je te realiseren dat onze adviezen door moeders met een borderlinepersoonlijkheidsstoornis ofwel verkeerd begrepen worden, ofwel rigide en letterlijk worden toegepast. Gebleken is dat het beter werkt om non-directief te werken en haar zelf te laten zoeken naar oplossingen. Hierbij moet een evenwicht gevonden worden met concreet houvast geven voor verantwoord ouderschap, verschillende van deze moeders hebben zelf immers geen good enoughouderschap gekend als kind. Ze voelen soms wel aan dat ze verkeerd bezig zijn, maar kennen geen alternatief omdat ze zelf geen goed voorbeeld hebben gehad.

Wat kun je doen?

  1. Normaliseer Ga niet mee in het probleemgedrag maar spreek hen aan op hun krachten en mogelijkheden.
  2. Werk samen Iemand met borderline functioneert in de hulpverlening vaak als een hol vat, er is een voortdurende behoefte aan ondersteuning wat maakt dat deze cliënten veel en vaak contact zoeken. Door betrouwbaar en voorspelbaar te blijven leert de cliënt aanvaarden dat je daadwerkelijk het beste met hen voor hebt. Hoe beter je in staat bent om open en eerlijk te zijn over alles wat er voorvalt in de interactie, hoe meer je werkelijk helpend kan zijn. Hou daarbij ook goed je eigen grenzen in de gaten.
  3. Rollen bewaken Begrenzing van rollen geeft ook aan de persoon met een borderlinestoornis duidelijkheid, veiligheid en structuur. Het is de kunst om, binnen duidelijke grenzen, toch enigszins flexibel te zijn. Dit ietwat flexibel met je rol omgaan, kan lastig zijn. Zijn er té flexibele grenzen dan kun je teveel verantwoordelijkheden overnemen, zijn er te strakke grenzen dan kun je koel en afstandelijk overkomen. Het is belangrijk om de verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag zoveel mogelijk hij de persoon zelf te laten.
  4. Spreek in ik-boodschappen De omgang met mensen met een borderlinepersoonlijkheid kan heftige gevoelens oproepen. Je kunt dan gemakkelijk een verwijtende toon aanslaan. Oefen je erin duidelijk te maken dat je vanuit jouw ervaring en professionaliteit spreekt. ‘Ik denk dat het beter is om nu te stoppen, omdat ik merk dat ik boos word’. ‘Ik heb even tijd nodig om na te denken, omdat ik nu niet goed weet hoe het verder moet’.
  5. Zoek zelf steun Het omgaan met een cliënt met een borderlinepersoonlijkheid kan intensief zijn. Daarom is het van belang zelf ook steun te zoeken bij bijvoorbeeld je team. Reflectiemomenten zijn noodzakelijk om te voorkomen dat je als team meegesleurd wordt in de heftigheid van de emoties. Er is voldoende ruimte nodig voor reflectie over de relaties die zich afspreken tussen de vader, moeder en kinderen van de gezinnen waar wij mee werken, dan kunnen wij grip houden op wat er gebeurt in die relatie en er zorg voor dragen dat we de juiste hulp blijven bieden. Intervisiemomenten kunnen helpen om afstand te nemen van de werkrelatie met de moeder en om grip te houden op het proces wat zich tussen jou en de cliënt afspeelt. Ook een gezonde dosis humor mag zeker niet ontbreken om frustraties hanteerbaar te houden.

Wanneer doe je er goed aan een zaak over te dragen?

Als veel crisis en chaos speelt, kan het je eigen draagkracht als professional overschrijden. Als dat zo is en er een afweging is gemaakt waarin het disfunctioneren, lijden en de zorgbehoefte van de cliënt is meegenomen, kan het soms beter zijn om de zaak over te dragen aan een collega. Hoewel het vaak goed is om vast te houden aan één gezin, één plan, één medewerker moet je dit als professional wel kunnen blijven dragen. Op het moment dat je merkt dat je over je eigen grenzen heengaat en het jou en je team niet lukt om dit bij te sturen, is het beter om over te dragen.

Caroline Karssen, gedragswetenschapper Jeugdbescherming west

( deze blog is eerder verschenen op jbwestblogt.com)

Follow my blog with Bloglovin

Hechtingsproblematiek, een probleem van generatie op generatie

Als je lang genoeg in de jeugdbescherming of jeugdhulpverlening werkt, kom je dit wel een keer tegen, cliënten die jij als kind hebt begeleidt, komen later in hun leven bij je terug als ouder van een kind die hulp nodig heeft. Vaak wordt gezegd dat ouders die als kind gelabeld zijn met een verstoorde hechting, zelf geen sensitieve ouder kunnen zijn.

In deze blog geef ik een aantal praktische tips op basis van mijn persoonlijke ervaring in combinatie met kennis die ik heb opgedaan uit de literatuur en uit symposia en workshops die ik heb bijgewoond.

Hoe komt dit?

Het gehechtheidssysteem is belangrijk bij angst, spanning en pijn. Het systeem heeft baat bij een zekere angst, want als een kind angstig is, zoekt het de persoon op waaraan het zich heeft gehecht. Het gros van de getraumatiseerde kinderen heeft echter geen angst meer, dus bij hen is dit systeem ontregeld. Zij zoeken bij angst, spanning en pijn hun opvoeder niet op of zijn hierin heel ambigu of dubbel.

De zorg die ouders hun kind op jonge leeftijd geven, bepaalt grotendeels de opvoedrelatie op latere leeftijd. Als een kind veel veilige ervaringen opdoet raakt het gericht op veiligheid en is er meer ruimte over om andere dingen te leren. Kinderen die veel onveiligheid meemaken ervaren minder ruimte om te onderzoeken en nieuwe dingen te leren. Het tekortkomen van rijke input aan je brein brengt daardoor veel schade toe. Grofweg onderscheiden we de volgende hechtingstypen [Bron; hechtingstheorie Bowlby & Ainsworth/ Wikipedia]

Vermijdend gehechte kinderen

Deze kinderen onderzoeken (exploreren) heel veel. Als vader of moeder vertrekt of terugkomt, reageren ze hier nauwelijks op en gaan door met hun spel. Hun spel is van matige kwaliteit, oppervlakkig en vluchtig. Ze negeren of vermijden de ouder. Deze kinderen worden vaak door hun omgeving gezien als veel te zelfstandig voor hun leeftijd. Ouders van deze kinderen zijn consequent insensitief, vaak afwijzend, hebben een afkeer voor fysiek contact, zijn zakelijk en snel geïrriteerd door huilen of ander weigerachtig gedrag van kind. De strategie van het kind is dat hij geen beroep meer doet op moeder uit angst voor afwijzing. Het kind heeft dus zijn gehechtheidsgedrag geminimaliseerd.

Veilig gehechte kinderen

Deze kinderen vertonen een evenwichtige balans tussen exploreren en hechtingsgedrag. Ze hebben geen moeite dingen te onderzoek als hun ouder aanwezig is en kunnen angstig reageren bij afwezigheid. Als de ouder terugkomt, zoekt het kind toenadering, is snel weer op zijn gemak en gaat vanuit zijn veilige basis verder met het onderzoeken van dingen. Ouders van deze kinderen zijn sensitief, coöperatief en toegankelijk. De interactiegeschiedenis is er een van affectieve afstemming van en met de ouder. Het kind voelt zich gezien en gehoord.

Ambivalent gehechte kinderen

Deze kinderen vertonen veel hechtingsgedrag en weinig exploratie. Ze proberen constant bij de ouder in de buurt te zijn en reageren heftig als de ouders afwezig is. In de periode dat ze alleen zijn, zullen deze kinderen amper spelen of hun omgeving onderzoeken. Deze kinderen vertonen tweezijdig ambivalent gedrag. Aan de ene kant klampen ze zich vast aan hun moeder, maar aan de andere kant tonen ze hun woede en teleurstelling over het feit dat hun moeder is weggegaan door afwerend te reageren. De strategie die deze kinderen ontwikkeld hebben, is het maximaliseren van gehechtheidsgedrag, waarbij de boosheid de functie als straf voor de ouder heeft. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is er een waarin de ouders inconsequent sensitief, soms grillig en onvoorspelbaar reageren en vaak onbereikbaar zijn op cruciale momenten.

Gedesorganiseerd gehecht

Het lijkt alsof deze kinderen tegenstrijdige verwachtingen hebben over de beschikbaarheid van de opvoeder of bang voor hem/haar zijn. Zij laten bijvoorbeeld tegenstrijdig gedrag en emoties zien. Gaan bijvoorbeeld eerst huilen, maar beginnen dan opeens weer te lachen. Ook kan het zijn dat ze zich abnormaal bewegen, plotseling stilstaan, waarbij het lijkt dat ze zich niet meer kunnen bewegen (bevriezen of verstarren). Soms lijken zij in de war als de ouder terugkomt en toenadering zoekt. Zij slaan de handen voor de ogen of wiegen heen en weer of wenden het hoofd af terwijl zij naar de ouder lopen of kruipen. Het lijkt alsof de komst van de ouder de stress bij het kind eerder verhoogt dan verlaagt. De interactiegeschiedenis van deze kinderen is zeer onvoorspelbaar en incoherent geweest. Desorganisatie in deze betekent het instorten van je hechtingsstijl. Dit betekent dat een kind in basis veilig gehecht kan zijn maar door latere ervaringen niet langer op deze hechtingsstijl kan terugvallen. Denk hierbij aan kinderen die opgroeien in een liefhebbend en stabiel gezin maar op een andere plek misbruikt worden zoals school of zwemles. Hierbij is het kind in de basis veilig gehecht maar hebben ouders desondanks signalen gemist waardoor ze niet sensitief hebben kunnen reageren. Ook bij traumatische ervaringen, zoals mishandeling of onverwerkte trauma’s bij de ouder zelf kunnen de ouders tegelijkertijd een bron van angst en veiligheid zijn. In de interactie tussen ouder en kind kan een onverwerkt trauma bij de ouder ervoor zorgen dat deze soms wegvalt, dissocieert, of dat de ouder het kind ineens laat schrikken.

Hechtingsstijlen en ouderschap

Kinderen worden volwassen en worden zelf ouders. De manier waarop zij gehecht zijn, bepaalt ook deels hoe zij later met stress omgaan. Hieronder lees je meer over twee hechtingsstijlen die wij in de praktijk vaak terugzien bij ouders en hoe je er als hulpverlener mee om kunt gaan:

Vermijdend gehechte ouder

Een vermijdend gehechte ouder laat een baby teveel aan het lot over. Hij of zij reageert bijvoorbeeld niet als het kind huilt van de honger. Deze ouders minimaliseren de behoeften van hun kind. De ongerustheid die deze ouders voelen, vertalen ze naar “ er is iets met mijn kind.” Ze zoeken hulp met vragen als: hij wil niet drinken, niet eten of hij spuugt zo veel. De ouders vertalen op deze manier de behoefte van hun jonge kind maar begrijpen deze behoefte niet goed. Ze minimaliseren hun eigen stress. Hebben bijvoorbeeld de neiging om een gesprek over moeilijkheden weg te lachten. Voor dit type ouders is het moeilijk te verdragen dat een baby krampjes heeft of ’s nachts vaak moet huilen. Ze kunnen niet accepteren dat dat bij het ouderschap hoort en zij als ouder deze stress moeten verdragen. Als je als hulpverlener hierover in gesprek gaat met ouders, hou het dan in het hier en nu. Benoem wat je opvalt in de interactie tussen hen en het kind wanneer het zich voordoet. De valkuil is dat je hun aandeel te snel wilt bespreken, maar dit type ouder kan dat niet goed aan.

Onbewust denken zij dat als ze geen aandacht aan het huilen en de pijn besteden, het kind opgroeit tot een sterk en stoer mens. Wil je dit bespreekbaar maken, hou het dan algemeen want deze ouder kijkt niet graag naar zichzelf.

Vermijdend gehechte ouders zeggen vaak niet concreet waarbij ze hulp nodig hebben. De echte vraag moet je zien te achterhalen door als het ware in hun hoofd te kijken. Ze zullen geneigd zijn een vraag als; “vond je dit moeilijk?” met nee te beantwoorden omdat het over henzelf gaat. Je kunt beter de vraag wat algemener stellen, bijvoorbeeld “ ging het lastig deze week?” Dat is voor hen makkelijker te beantwoorden.

Vermijdend gehechte moeders hebben moeite met het innemen van de moederrol. Ze wisselen tussen de verschillende rollen die je als ouder hebt; collega, vriendin, partner etc. Ze voelen niet goed aan wanneer ze de rol als ouder moeten innemen.

Ambivalent gehechte ouders

Deze ouders zijn opgegroeid in een situatie waar hun opvoeders consequent niet sensitief waren voor hun behoefte om zich te hechten. Deze ambivalent gehechte kinderen blijven zich aan hun ouders vastklampen.

Deze ouders vertellen je graag over zichzelf. Ze beginnen met de vraag van het kind maar stappen dan over op zichzelf. Dat is hun manier om stress te reguleren. Ze komen met vragen om hulp maar als je hen concreet advies geeft, spugen ze het uit. Als dit merkt bij een ouder, vraag dan liever: “ Wat werkt voor jou?”

Angstig ambivalent gehechte ouders zijn op hun beurt niet goed afgestemd op de baby. Ze hebben bijvoorbeeld moeite om hun kind los te laten als er geen angst, spanning of pijn is. Het gedrag van de ouder en het gedrag van het kind zijn hierdoor niet los te zien van elkaar. Het is normaal dat ouders hun kind willen beschermen, maar deze ouders zijn ervan overtuigd dat hun kind elders niet veilig is. Moeder met angstig ambivalente hechting, vinden dat de partner het altijd minder goed doet dan zijzelf. Ambivalent gehechte moeders ervaren bij echtscheiding de meeste problemen. Zij geloven dat hun kind altijd het beste af is bij hen in de buurt.

Angstig ambivalente ouders hebben de neiging om bij heel veel mensen hulp te vragen. Ze zien veel leeuwen en beren op de weg. Als je dit merkt bij ouders, helpt het als je hen vraagt: “Wat is een advies waar je de afgelopen tijd wat aan gehad hebt?” Ze raken namelijk in de war van de hoeveelheid tips die ze krijgen op hun vragen. Door op deze manier naar helpende ervaringen te vragen, kun je samen met hen richting geven aan de het verwoorden van wat ze nodig hebben en hen helpen bij hun hulpvraag.

Het is belangrijk om als hulpverlener zicht te krijgen op de kwaliteit van de interactie tussen ouder en kind. Hoe reageert de ouder op het kind als het zijn nabijheid zoekt? Je kunt dit zien in de interactie tussen ouder en kind maar soms zal je deze informatie bij andere hulpverleners die betrokken zijn bij het gezin uit moeten vragen. Belangrijke zaken om op te letten zijn:

  • Hoe gaan ouders om met emoties van henzelf en die van hun kind? Kunnen ze bijvoorbeeld hun eigen verdriet, angst, boosheid op adequate wijze uiten. Hoe gaan ze om met de angst, boosheid en het verdriet van hun jonge kind?
  • En past de manier waarop ouders omgaan met de emoties van hun kind bij wat het kind op dat moment nodig heeft?
  • Wat gebeurt er niet? Wat mis je?
  • Wat wordt er uitgewisseld, impliciet en expliciet?

Goed om te weten wat de vijf essentiële elementen zijn voor jonge kinderen in een goede ouder-kind relatie:

  1. De ouder reageert sensitief en empathisch op signalen van het kind.
  2. Er is frequent lichamelijk contact.
  3. De ouder stelt het kind in staat op onderzoek uit te gaan en zijn omgeving te verkennen.
  4. De ouder helpt het kind bij het ontwikkelen van een gevoel dat zijn handelen en acties ergens toe leiden.
  5. Ouder en kind ondernemen samen plezierige en wederkerige activiteiten.

De emotionele uitwisseling tussen kind en omgeving heeft dezelfde functie voor het brein als voeding en vitamines voor het lichaam.

Als je lang genoeg in de jeugdbescherming of jeugdhulpverlening werkt, weet je gelukkig ook dat onveilige hechting niet altijd wordt overgedragen van generatie op generatie. Deze zogeheten transgenerationele problematiek kan doorbroken worden door bijvoorbeeld inzet van de juiste hulpverlening of het creëren van een steunend netwerk. Gelukkig zijn er ook ouders die als kind veel tekort gekomen zijn, die prima hebben geleerd hoe zij zelf wel veilige en voorspelbare ouders kunnen zijn voor hun kind.

Caroline Karssen, gedragswetenschapper Jeugdbescherming west

Follow my blog with Bloglovin

Als je één autist kent, ken je één

Vandaag is het wereld autismedag. Een dag waarop autisme wereldwijd in de schijnwerpers staat. Het is goed dat er aandacht voor is, het komt veel voor en mensen met een autismespectrum stoornis hebben vaak te maken met onbegrip van hun omgeving en lopen daardoor bovengemiddeld vaak vast in situaties. Maar de autist bestaat niet, elke autist is anders en elk kind met een diagnose op het autismespectrum vraagt iets anders van zijn of haar omgeving. Door Mathijs, een jongen met de diagnose Asperger werd mij een tijd geleden op het hart gedrukt: ‘Als je één autist kent, ken je er één. Zorg dus dat je weet waar je het over hebt! Dat advies heb ik ter harte genomen.

In mijn gesprekken met deze jongen, Matthijs, werd ik telkens door hem overhoord. Hij wilde best met me praten maar dan wilde hij wel zeker weten dat ik mijn best deed om autisme écht te begrijpen. Het bleek een leerzame deal. Mathijs was vrij dwingend en zelfbepalend in het contact. Zijn ouders hadden al langere tijd problemen met hem ondervonden maar niemand begreep echt wat er aan de hand was. Totdat hij de overgang moest maken naar de middelbare school. Daar begon hij echt vast te lopen.

Hij kwam als cliënt binnen bij ons met een jeugdreclasseringsmaatregel wegens spijbelen. Hij ging al langere tijd niet meer naar school omdat de interactie met klasgenoten te belastend voor hem was. In de vrijgekomen uren had hij een vijver aangelegd in de tuin. Deze had hij gevuld met koikarpers die hij her en der uit vijvers had gestolen. Zijn ouders waren in eerste instantie blij dat hij een hobby had en een tijdsbesteding. Totdat er aangifte gedaan werd van diefstal en bleek dat hij voor duizenden euro’s aan koikarpers gestolen en verhandeld had.

Door goed naar deze jongen en zijn ouders te luisteren en zijn advies ter harte nemen, ben ik meer te weten gekomen over autisme en ben ik het beter gaan begrijpen.

Wat is autisme?

“Kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum hebben vaak problemen met sociale relaties, hun taal- en spraakontwikkeling, interesses, het omgaan met veranderingen, hun motoriek, hun cognitieve ontwikkeling, het onderscheid tussen fantasie en realiteit en hun zelfbeeld.’ (citaat http://www.nji.nl)

Autisme is een onzichtbare handicap. Vaak zie je niet meteen wat er met een kind aan de hand is. Mensen in de omgeving van een kind met autisme zeggen nogal eens dat het wel meevalt, dat ze het kind gewoon beter moeten opvoeden. Ook al zie je het niet, het heeft een grote invloed op iemands leven. Hoe groot en op welke manier precies verschilt per persoon en levensfase. De volgende overgangsmomenten zijn vaak extra ingewikkeld voor iemand met een autismespectrumstoornis:

  • Als kinderen 4-5 jaar oud zijn maken ze de overgang naar school. Vanuit een redelijk beschermde wereld gaan ze naar een wereld waar meer eisen gesteld worden. Sommige kinderen redden deze overgang niet.
  • Een tweede grote overgang komt bij de overgang van de basisschool naar de middelbare school. Er wordt een ander beroep op de jongere gedaan, zowel op sociaal gebied als qua planning. Van ouders wordt tegelijkertijd andere vaardigheden verwacht ter begeleiding van hun kind.
  • Een derde grote overgang vindt plaats rond het 18-de levensjaar wanneer veel jongeren de overgang maken van de middelbare school naar studeren of het werkende leven. De grote vrijheid en alle keuzemogelijkheden kunnen maken dat de jongere blokkeert. Er worden meer eisen aan een jongere gesteld wat moeilijk is voor jongeren die een normale ontwikkeling doormaken maar de een jongere met autisme snel kunnen overvragen.
  • Wanneer er in de volgende levensfase een gezin gesticht wordt dan kun je gaan zien dat de hoeveelheid zintuigelijke prikkels maar ook de flexibiliteit die een baby vraagt problemen op kunnen leveren. De moeite met het moeten aanpassen van vaststaande routines kan een grote bron van stress zijn.

Klachten kunnen toenemen bij grote life events zoals het verliezen van je baan, echtscheiding, het overlijden van ouders etc.

Matthijs leerde mij dat als je stressoren in de omgeving verminderd je zal zien dat de klachten afnemen. In zijn geval bleek het starre en zelfbepalende gedrag een manier om grip te houden op de wereld. Zijn moeder had al jong gevoeld dat hij anders was dan haar andere kinderen. In haar huishouden heerste een strakke structuur, mede omdat Matthijs’ vader dat prettig vond. Dankzij deze structuur en de prikkelvrije omgeving die het gezin hierdoor vormde had Matthijs het tot en met de basisschool redelijk goed gered.

Zijn school stond in een klein dorp maar toen hij de overgang moest maken naar de middelbare school bleek hij het lastig te vinden om met de grote hoeveelheid jongeren op “die fabriek”, zoals hij dat zelf noemde, om te gaan. Het lukte hem niet om zijn huiswerk te plannen en aansluiting met anderen vond hij, ondanks zijn pogingen hiertoe, steeds maar niet. In 2016 werd gesteld dat deskundigen die veel met thuiszitters werken, inschatten dat misschien wel 40 procent van hen een vorm van autisme heeft.

Binnen het gedwongen kader komen wij vaak kinderen en jongeren tegen die door hun ouders ziekgemeld worden bijvoorbeeld omdat zij te moe zijn om naar school te gaan. Chronische oververmoeid zijn komt veel voor bij kinderen of jongeren met autisme. Onvoorspelbare situaties moeten voorbereid worden wat veel energie kost. Het griphouden en voorbereiding vraagt veel cognitieve energie.

Autisme is te behandelen maar niet te verhelpen. Het is een chronische kwetsbaarheid waarbij door middel van behandeling het functioneren verbeterd wordt.

Wat kun je doen als hulpverlener

Van je houding als hulpverlener vraagt dit het volgende:

  • Hou de “expressed emotion” laag. Zorg voor weinig emotionele lading in je boodschap. Communiceer neutraal. Anders is het te overspoelend.
  • Expliciteer! Leg inhoudelijk uit en vertrouw niet op het non-verbale.
  • Neem je cliënt serieus en vermijd preken.
  • Neem je cliënt serieus en wees oprecht nieuwsgierig naar de manier waarop hij/zij de wereld beleeft. Of welk appèl het kind op zijn of haar ouder doet.
  • Voor sommige autisten is direct oogcontact te belastend. Dan helpt het om naast je cliënt te gaan zitten.
  • Wees voorspelbaar en betrouwbaar.

Zelfcontrole en autisme

Sommige jongeren met autisme hebben moeite met zelfcontrole. In sommige gevallen gaat dit gepaard met agressie. Er zijn een aantal kenmerkende problemen op het gebied van zelfcontrole bij jongeren met autisme:

  • Gedrag wordt anders geïnterpreteerd doordat informatie anders verwerkt wordt.
  • De overgevoeligheid op het gebied van zintuigelijke prikkels kan maken dat er, voor anderen, onverwacht, agressief gereageerd wordt in een poging de prikkel af te laten nemen.
  • Lichamelijke signalen van boosheid worden minder goed opgemerkt waardoor men overspoeld kan raken door de emotie.
  • Een zeer sterk rechtvaardigheidsgevoel wat zich kan uiten rigiditeit in de naleving van regels. Heel principieel dus daardoor heel moeilijk beïnvloedbaar.
  • Gedachten over onrechtvaardigheid kunnen soms moeilijk losgelaten worden.
  • Als er sprake is van negatieve sociale ervaringen uit het verleden (gepest worden, afwijzing etc) kan gedrag van de ander al snel als vijandig ervaren worden.
  • Het verstoren van vaststaande routines kan werken als trigger.

Agressie bij autisme spectrumstoornis is meestal reactief. Het kan voortkomen uit frustratie maar ook door een gevoel van falen of angst voor controleverlies. Benader de boosheid begripvol, geef aan dat het een functie heeft gehad om boos te worden.

Ieder mens is uniek en ook een autismespectrum stoornis is bij iedereen anders maar toch zijn er handvatten waarmee je de communicatie kunt verbeteren. Een workshop van Jeroen Bartels (GZ-psycholoog en auteur van het boek: Zelfcontrole bij volwassenen met Autisme) leverde mij de volgende tips die ik kan meegeven :

Tips om de communicatie te verbeteren

algemeen

Wacht tien tellen voordat je een iemand met autisme een nieuwe vraag stelt.

Zeg precies wat je bedoelt, liefst zo letterlijk mogelijk.

Tip 1; installeer rust

• zorg dat je zelf rustig bent en blijft
• raak iemand met autisme niet onnodig aan
• zorg voor routine in de manier van aanpakken
• geef de tijd om de informatie te verwerken
• wanneer een antwoord niet meteen wordt gegeven, wacht rustig af en stel niet opnieuw een (andere) vraag

Tip 2; wees duidelijk

• wees zo concreet mogelijk
• behandel een probleem stap voor stap, één ding tegelijk
• spreek in korte, duidelijke zinnen
• leg van tevoren uit wat er gaat gebeuren. Is iets nog niet zeker, vertel dit dan, en verduidelijk (indien mogelijk) ook wat de verschillende gebeurtenissen kunnen zijn
• vermijd woorden als “misschien”, “eventueel” indien ze niet essentieel zijn
• herhaal regelmatig, liefst in dezelfde bewoordingen
• bedenk dat ‘druk doen’ en ‘niet luisteren’ meestal een vraag om meer duidelijkheid is
• vertel bij ongewenst gedrag niet wat je niet wil, maar juist wat je wél wil
• benoem de regels

Tip 3; denk aan non-verbale signalen

• neem een neutrale houding aan
• zorg dat je stem en je houding met elkaar in overeenstemming zijn
• dwing iemand niet tot oogcontact als hij dat niet wil

Tip 4; spreek klare taal

• gebruik nooit sarcasme of cynisme
• vermijd figuurlijk taalgebruik als je niet zeker bent dat de persoon met autisme dat begrijpt of maak duidelijk dat iets figuurlijk is
• gebruik zo min mogelijk open vragen (hoe, waarom)
• visualiseer waar mogelijk, dus maak overzichtelijke aantekeningen
• verduidelijk met een tekening en/of schrijf de te volgen stappen op papier.

Wat Mathijs tegen me zei is natuurlijk waar, ken je één autist, dan ken je er één. Ieder mens is uniek, maar pas als er meer kennis en begrip is, kun je elkaar pas echt beter leren kennen.

Caroline Karssen, gedragswetenschapper Jeugdbescherming west

De namen van de betrokkenen zijn omwille van privacy redenen gefingeerd

Follow my blog with Bloglovin